А-силуэтное платье из эксклюзивной тафты.
Платье декорировано съемным поясом с ручной вышивкой, который завязывается сзади на бант.

Сильвия

    Is het een zinvolle grenswaarde?


    De grenswaarde zelf is onderwerp van discussie, omdat succesvolle atleten geen hogere testosteronwaarden hebben dan minder succesvolle atleten. In hun artikel wijzen Katrina Karkazis en collega's (2012) op de overlap van testosteronniveaus bij mannen en vrouwen: een onderzoek onder 693 topatleten laat zien dat het testosteronniveau bij 16,5 procent van de mannelijke atleten lager is dan het zogenaamde 'mannelijke' testosteronbereik (ook bij mannen is er heel wat variatie mogelijk). Anderzijds scoort 14 procent boven het 'vrouwelijke' bereik. Bij topsporters blijkt het niveau van het natuurlijk aanwezige testosteron geen indicatie voor wie sneller kan lopen , zwemmen, of meer gewicht kan heffen.
    De studies die de relatie tussen testosteron en prestatie onderzoeken hebben methodologische beperkingen, en kunnen tot nog toe geen oorzaak-gevolg relatie aantonen. In een recente studie van Eklund et al (2017) bijvoorbeeld is er helemaal geen verschil gevonden in testosteronniveaus van 106 Zweedse atleten en 117 vrouwelijke controles, en belangrijker, was er ook geen verband tussen testosteronwaarden en sportieve prestaties. In een andere studie, van Bermon en Garnier (2017), die besteld was door het IAAF, werd vooral gekeken naar het afgeleide 'vrije' testosteron, en niet naar de natuurlijke bloedtestosteronwaarden waarover de protocolregels eigenlijk gaan. De onderzoekers vergeleken daarbij de prestaties van een aantal vrouwen op 21 verschillende sportevents. In 5 van de 21 events bleken vrouwen die hogere 'vrije' testosteronwaarden hadden, het beter te doen dan vrouwen die lagere vrije testosteronwaarden hadden. Hoewel niet statistisch significant, hadden vrouwen met de laagste testosteronwaarden betere prestaties op 9 van de 21 events. Het Arbitragehof voor de Sport geeft toe dat er vele andere factoren kunnen bijdragen tot een competitief voordeel bij prestaties (NNID, 2014). Maar waarom wordt enkel gekeken naar testosteron en niet naar die andere factoren? De veronderstelling dat ook het Y-chromosoom een rol speelt, lijkt bevestigd te worden Ferguson-Smith & Bavington. Zij stellen dat tenminste 1 op 421 vrouwelijke atleten de variatie Androgeen Ongevoeligheid hebben, terwijl de prevalentie bij bij de rest van de bevolking minder dan 1 op 20.000 bedraagt. In een andere studie van Bermon et al. (2014) onder 849 atletes wordt een nog spectaculairder cijfer genoemd: 1 op 140 vrouwen heeft een variatie in sekse-kenmerken/intersekse/dsd.
    Dat het percentage vrouwen met een intersekseconditie/DSD in de topsport veel hoger is dan in de rest van de samenleving, kan er volgens de onderzoekers op duiden dat vrouwen met XY-chromosomen een voordeel hebben ten opzichte van vrouwen met XX-chromosomen. Furguson-Smith & Bavington (2014) achten het waarschijnlijk dat sportvrouwen met XY-chromosomen net als mannen met XY-chromosomen een gunstiger lean body mass (LBM, lichaamsgewicht minus het gewicht van het vet in het lichaam) hebben dan sportvrouwen met XX-chromosomen. Bermon en collega's (2014) testten ook testosteronwaarden bij deze vrouwen met XY vrouwen en vonden hogere testosteronwaarden in vergelijking met hun vrouwelijke medeconcurrentes zonder XY chromosomen en intersekse variatie. Volgende deze auteurs toont dit indirect aan dat testosteron, onder meer via een positief effect op spiermassa en ontwikkeling en explosieve kracht, wel tot een betere sportprestatie leidt. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

    Maar de volgende vraag wordt wel geopperd: als testosteron bij lijkt te dragen tot een betere sportprestatie (wat nog niet is aangetoond), is het dan fair van atletes uit te sluiten? (Sönksen et al, 2018).




    Is het een eerlijk of fair protocol?


    In de sportwereld gaat men ervan uit dat iedereen een eerlijke start moet krijgen. Grenswaarden worden ingevoerd in het teken van 'a fair game' en een 'fair playing field'. Daarmee wordt impliciet gezegd dat vrouwen met een van nature hoog testosteronniveau valsspelen. Het meest voor de hand liggende tegenargument is, uiteraard, dat andere sporters ook niet worden beschermd tegen concurrenten die op een of andere manier door de natuur zijn ‘bevoordeeld’. Sterker, winnen in de sport is juist gebaseerd op het volledig benutten van die voordelen. Als atleten niet op een of andere manier uitzonderlijk waren, zouden ze dan het podium halen? Eigenlijk is geen enkel atletenlichaam typisch of 'normaal' in de statistische zin van het woord. Michael Phelps, een recordhouder bij het zwemmen bijvoorbeeld, heeft het syndroom van Marfan, waardoor hij langere ledematen heeft en flexibele gewrichten die hem helpen bij zijn uitzonderlijke zwemprestaties. Andere elite-atleten hebben variaties in genen die ervoor zorgen dat ze meer spiergroei en -efficiëntie hebben, of een verhoogde bloedtoevoer naar de spieren (Karkazis et al, 2012). Atleten hebben verschillende biologische en genetische voordelen, die samen met andere factoren zoals talent en dedicatie maar ook goed sportmateriaal, een atletische prestatie kunnen beïnvloeden. Is het fair om testosteron te isoleren als enige factor die zou bijdragen aan een competitief voordeel of prestatie?




    Medisch ingrijpen en (neven)effecten?


    Met hormoontherapie (anti-androgenen of oestrogenen) of met het verwijderen van de geslachtsklieren kan het testosteronniveau worden verlaagd tot een niveau waarop deelname aan wedstrijden weer is toegestaan. Maar is het wel de taak van een arts om een gezond vrouwenlichaam aan te passen aan de eisen van een sportorganisatie? De IAAF beweert dat medisch ingrijpen binnen dit protocol ook gezondheidsvoordelen heeft voor de vrouwen in kwestie. Daarbij Toch is uit wetenschappelijk onderzoek niet gebleken dat hogere testosteronwaarden gezondheidsrisico's met zich meebrengen, al kan het in enkele uitzonderlijke gevallen wel op het levensbedreigende CAH wijzen. Echter, de anti-androgeen hormoontherapie die vrouwen dienen te nemen kan ook gepaard gaan met eigen bijwerkingen voor topatleten, zoals glucose-intolerantie, insuline resistentie, lever toxiciteit, misselijkheid, ... (Karkazis et al, 2012), die een negatieve invloed kunnen uitoefenen op de sportprestatie.